Poetry

Sonnetten

VOOR CHET BAKER

Concertgebouw, Amsterdam, 19 juli 1984 

Je boog je diep voorover op een klapstoel,
leek klein en broos in het Concertgebouw.
Waar ik zo hoopte dat het lukken zou
Je lippen wilden niet, wel je gevoel.

Je perste nootjes in de microfoon;
die stond daar op de hoogte van je knie.
Het ging gestadig beter, ach, en zie:
Daar was-ie plots, die zachte, milde toon.

‘My foolish heart’, je had het net gezongen,
waarna je trage noten blies, zo rond
en langzaam groter wordend, als ballonnen.

Die zweefden ongehaast en ongedwongen,
en ieder keek ze na, met open mond.
Die nacht heb jij mij plots voor je gewonnen.


Theaterhaus, Stuttgart, 1 april 1988
(het laatste tv-concert)

Het was een slecht concert, was mij verzekerd.
Je haar was vies en vet, dat zagen velen,
En je fluitist moest maar piano spelen.
Je zat daar voor de drugs, zei men, voor ’t geld.

Je lange levensavond werd een nacht,
Je zang was niet of nauwelijks te horen,
En je trompet bereikte nét de oren;
Die noten waren eerder nooit zo zacht.

Je houding zei: waar ik nu naar verlang,
Dat is de dood, van mij rest slechts een wrak.
Het was beschamend, maar juist daarom goed.

Al was je ziek, je was niet bang.
Broodmager in dat malle witte pak,
Sprak je: dit is mijn lichaam, dit mijn bloed.


Amsterdam, 13 mei 1988
(Drummer John Engels: ,,Die vogel kwam van een andere planeet!’’) 

Al kwam je niet van een planeet, ver weg,
De aarde is ook nooit je thuis geweest.
Genieten deed je solitair het meest,
Je bleef ongrijpbaar, wat ‘k ook schrijf of zeg.

Alleen met je trompet werd je nog mens
En slechts dankzij die spuit was er geluk.
Het overige maakte je steeds stuk.
Je ging niet verder, legde daar de grens.

Maar soms, als je trompet iets prijs mocht geven,
Dan werd dat teng’re lijf een groot gewelf,
Vol klanken, langzaam, zacht maar onbevreesd.

Ze brachten dan al het gevoel tot leven.
Je leek, opeens veel groter dan jezelf,
Meer mens dan ooit een mens mens is geweest.


Gedichten

De trompet zet in...

En zakt weg
Diep, dieper
Verdwijnt bijna
Vindt een plek waar het veilig is
Een eiland
Een wolk
Nestelt zich
Vlijt de noten neer, zorgzaam en één voor één
Stopt ze onder
Zachter-zachter-zachter

De trompet is vrij, alleen
Los van tijd en ruimte
Vertelt iets in vertrouwen
Alleen voor wie luisteren wil
(De rest is allang opgegeven en verloren)

Stapt door, ongehaast
Verheft zijn stem,
Stijgt even
En daalt af,
onwaarschijnlijk diep

Pas na de laatste lange stilte...
... na de laatste lange noot...
is het over
wordt muziek gewoon muziek.


Ready made: from an interview with Jimmy Knepper, early in the morning,
directly from a gig in Antwerp (The Hague, ca. 1990) He talked slowly, as if reciting a poem..

I knew him when he was a clean-cut young fellow in Los Angeles.
He was a wonderful player.
He didn’t do anything spectacular,
he just played music.
Just good music.
A lot of heart.
That’s my bag.
If somebody plays that way, I love him.”


‘Private recordings’

(Voor Fred Sandbergen)

Chet Baker op ‘Sept 15, 1985, Conservatorio Torino, Italy’
Totaal vergeten concert, lang geleden, ver weg
Veel ruis, vage begeleiders
Alwéér die ballad ‘Lament’
En dan als vanuit een achterkamer
En schuifdeuren van vuil glas:
Die trompet.
Bedaard, intens
Ongehaast, urgent
Aarzelend, triomferend
Geconcentreerd, met een slaapwandelend gemak
Zich niet bewust van het cassetterecordertje dat alweer een fan had aangezet, die avond,
ergens op schoot of op de grond
Stoffig bandje, ramsjmerk, zelden beluisterd, via-via-via in mijn handen gekomen
Maar (met dank aan de kennis die dit op cdr zette en wat ruis wegpoetste):
Een kwart eeuw, duizend kilometer, vergetelheid – dit alles wordt irrelevant
Dit is niets dan de waarheid, dit is nu, dit kan nu niet anders zijn dan dit
Dit moet nu worden gespeeld en nu beluisterd
Exact zoveel kilometer verder en zoveel urendagenmaandenjaren later
Hier nu in mijn kamer, op deze plek.


Sonnetten

VOOR BEN WEBSTER

Hoewel je zelf geen vader hebt gekend,
en je toch altijd eenzaam bent gebleven,
was je bij machte and’ren iets te geven
met diepe zuchten uit je instrument.

Je zei – ineens kon je communiceren:
‘Kan je nu slapen, ben je niet meer bang?
Zal ik het licht aanlaten in de gang?’
Als tot het kind dat je ook moest ontberen.

En aan het slot van iedere ballade
verdween de toon en bleef nog slechts die zucht;
een fluit’ring in het oor van een beminde.

Je kwam tevoorschijn achter je facade,
je werd een puber in de lentelucht,
hoewel je ook geen vrouw aan je kon binden.


ZONDER TITEL (VOORLOPIG)

Soms was hij ‘r niet terwijl zij op hem wachtte.
Ontroostbaar in zichzelf diep teruggetrokken,
bood hij, tot echt geen lichtheid te verlokken,
gepieker slechts, en malende gedachten.

De ochtend was steeds broos, in den beginne.
Geen fundament dat hem wat steun kon geven.
Hij moest, als een novice in het leven,
van onderaf weer het vertrouwen winnen.

Zo werd steeds weer, tot op zijn laatste dag,
een wankel kaartenhuisje opgetrokken
waarin hij eind’lijk even het geluk vindt

Daaronder moest zij lijden, wat niet mag;
zij was een schuldeloze, hij bleef mokken:
‘Geliefd, dat wil ik worden, ja – bemind.’


Gedicht

Kuis

ze was naakt
en kuis
haartjes bedekten haar vrouwelijkheid
haar boezem – klein en decent
haar blik – zuiver, troostend. Lief.

‘kom maar, het is goed’ zei ze

ze deden wat wreed was
om te laten

ze keek in zijn ogen
- weer die blik -
toen hij kwam
in haar

een schemerige namiddag, een roerloze avond
een paar uur vrij van de dagelijksheid
een middag in een capsule, een andere dimensie, een andere tijd.

zijn hart, een open wond
even geheeld

(Daarna samen de sprei over bed gedaan
en even nog de afwas)

 


«-- Terug / Back